Meest gebruikte methodes:

Auxillaire methode

Bij deze methode vormt een groeipuntje van de basis nieuwe scheutjes. Deze scheutjes vormen een 'clumb', dat is een 'polletje' blaadjes. Vergelijk het maar met een graskluitje. Door dit kluitje steeds weer in meerdere kleine kluitjes te snijden wordt de plant vermeerderd. Dit proces blijft men herhalen totdat in de laatste fase de kluitjes op een bewortelingsmedium geplaatst worden.

Bij sommige gewassen worden de kluitjes dan gedeeld tot afzonderlijke plantjes, de vakterm daarvoor is 'op één zetten'.

Okselknop methode

Bij veel planten zit in de 'oksel' van de bladsteel en de stengel van nature al een groeipunt. Als de tak daarboven breekt (of gesneden wordt) loopt die verder uit (opheffen van de apicale dominantie). Bij veel soorten leent dit groeipunt zich prima voor vermeerdering via weefselkweek. Vanuit dit oog groeit een stengel waarin bij ieder bladpaar ook weer ogen zitten. Na zes tot acht weken worden deze op hun beurt ook weer gesneden en ingezet. Hierbij is iedere top van een nieuwe stengel het beste groeipunt om te splitsen.

Somatische embryogenese

Dit is een geheel andere manier van vermeerderen. Hierbij worden de groeipunten teruggebracht tot op celniveau. Deze cellen worden ondergedompeld in vloeibaar medium waarbij ze nieuwe, losse, cellen vormen.

Deze worden vervolgens op vast medium geplaatst waarna de cel uitgroeit tot een nieuw plantje. Niet ieder ras leent zich voor deze techniek. Daarbij zijn de onderzoekskosten en de kans op afwijkingen erg hoog, waardoor deze methode zeer gericht wordt toegepast.